Mobiliteitsbudget: meer dan 145 modellen en 750 versies komen -momenteel – in aanmerking voor pijler 1…

U zalwellicht verbaasd zijn over het aantal auto’s dat in aanmerking komt voor de eerste pijler van het mobiliteitsbudget. De oefening werd gedaan op de – ten minste tot 1 september nog toegestane – limiet van 95 gram CO2/km in NEDC. Wij maken ook van de gelegenheid gebruik om de meest gestelde vragen te beantwoorden.

Van 95 naar 120 g CO2?

Indien het wetsontwerp van de federale minister van Financiën, Vincent Van Peteghem (CD&V), in zijn huidige vorm wordt uitgevoerd, zal voor alle bedrijfswagens die vanaf 1 september 2021 worden aangekocht of besteld (met als bewijs de ondertekening van de bestelbon of het leasingcontract), zal enkel nog de WLTP CO2-waarde gebruikt mogen worden voor de berekening van de aftrekbaarheid en het VAA. Tegelijkertijd wordt met dit wetsvoorstel de eerste pijler van het mobiliteitsbudget aangepast, waarbij de grenswaarde wordt opgetrokken van 95 g CO2 (NEDC) tot 120 g (WLTP).

Als dit plafond niet wordt herzien wanneer wordt overgeschakeld naar een op WLTP-gebaseerde fiscaliteit, zal ongeveer 40% van de voertuigen van de lijst verdwijnen.

^ Retour en haut de la page ^

Meer dan 145 modellen, 750 versies: dit is de lijst

Tenzij er een wijziging komt, blijft in ieder geval tot 31 augustus de NEDC-limiet van 95 g gelden om een auto in aanmerking te laten komen voor de eerste pijler van het mobiliteitsbudget.

Enkele weken voor Van Peteghem met zijn wetsvoorstel naar buiten kwam, probeerde de redactie van FLEET en FLEET.be alle auto’s op te lijsten die in pijler 1 van het mobiliteitsbudget konden worden opgenomen.

Download hier de lijst van de auto’s die in aanmerking komen voor pijler 1 van het mobiliteitsbudget.

U weet het waarschijnlijk niet, maar zo’n 145 automodellen in bijna 750 verschillende versies kunnen in een mobiliteitsbudget worden opgenomen. Wij hebben alle varianten tot 95 gram (in WLTP of NEDC 2.0, zoals toegestaan door de wetgever) op een rijtje gezet met de hulp van analist JATO, die wij hartelijk danken. We hebben de lijst van deze voertuigen die nog in productie zijn (dat is een voorwaarde om in aanmerking te komen voor het  mobiliteitsbudget) op 26 februari 2021 afgesloten. In deze lijst staan geen voertuigen die als “fake hybrids” worden beschouwd.

^ Terug naar boven ^

Naar een vereenvoudiging en uitbreiding

Op vragen over het mobiliteitsbudget die twee kamerleden, Malik Ben Achour (PS) en Jef Van den Bergh (CD&V), onlangs stelden in de Commissie Financiën van de Kamer, antwoordde federaal minister van Financiën Vincent Van Peteghem (eveneens CD&V): “Een vereenvoudiging van de mobiliteitsbegroting wordt momenteel bestudeerd. Mijn administratie bestudeert ook een uitbreiding naar werknemers die geen bedrijfswagen hebben”.

Jef Van den Bergh voegde daaraan toe: “Als we bepaalde drempels verlagen, kunnen we het mobiliteitsbudget tot een succes maken.”

^ Terug naar boven ^

Er lag reeds en wetsvoorstel op tafel

Jef Van den Bergh en Steven Mathei hadden in de zomer van 2020 al een wetsontwerp uitgewerkt om het mobiliteitsbudget te veralgemenen en te vereenvoudigen. Het lijdt geen twijfel dat hun tekst als basis wordt gebruikt.

Dit zijn de grote lijnen (voor meer details, klik hier!) :

  • Het wetsvoorstel beoogt de assimilatie als “duurzaam vervoermiddel” (pijler 2) van volgende zaken: parkeertarieven in functie van het gebruik van het openbaar vervoer en voetgangerspremie.
  • Pijler 2 beschouwt ook het feit dat een woning binnen 5 km (vogelvlucht) van de werkplek ligt als een duurzame mobiliteitsoplossing. De CD&V-politici vergroten de straal tot 10 km.
  • Het nieuwe voorstel houdt ook rekening met de aflossing van de hoofdsom van de hypotheken, en niet alleen met de huren en de rente op die hypotheken.
  • Exit van wachttermijnen en functiecategorieën.
  • creatie van een mobiliteitsrekening.
  • Het voorstel voegt twee alinea’s toe om de berekening van het bedrag van het mobiliteitsbudget, bekend als “TCO”, te vereenvoudigen en de berekeningsformule in de wet vast te leggen.

^ Terug naar boven ^

“Het mobiliteitsbudget is nog te weinig gekend”

Van Peteghem counterde ook de kritiek op de website over het mobiliteitsbudget (mobiliteitsbudget.be), die gezamenlijk wordt beheerd door de FOD Werkgelegenheid, de FOD Financiën, de FOD Sociale Zekerheid en de RSZ.

Malik Ben Achour (PS): Het mobiliteitsbudget, dat de werknemers met een bedrijfswagen de mogelijkheid biedt om voor milieuvriendelijkere alternatieven te kiezen, geniet nog te weinig bekendheid. De website die bedoeld is om op de vragen van het grote publiek over die regeling te antwoorden helpt echter niet om de doelgroep er warm voor te maken.”

Antwoord van Vincent Van Peteghem: “Ik ben van oordeel dat de website www.mobiliteitsbudget.be een volledig en juist overzicht geeft van de regeling. Het beheer van die site valt onder de bevoegdheden van mijn collega, de minister van Werk. Ik denk niet dat de communicatie verklaart waarom er zo weinig gebruik gemaakt wordt van het systeem, dat complex is. Uit de FAQ’s kunnen we een aantal voorstellen afleiden die nodig zijn om het systeem te vereenvoudigen. Mits er goed over gecommuniceerd wordt, kan dat ertoe leiden dat dit een succesverhaal wordt. Het punt in het regeerakkoord over het mobiliteitsbudget voor loontrekkers die geen recht hebben op een dienstwagen is nog in studie. Een vereenvoudiging van het mobiliteitsbudget wordt momenteel bestudeerd. Mijn administratie onderzoekt ook een uitbreiding naar werknemers zonder bedrijfswagen.”

^ Terug naar boven ^

FAQ’s

Als u nog andere vragen hebt dan die welke hier zijn vermeld, surf dan gerust naar mobiliteitsbudget.be!

1. Wat is het doel van het mobiliteitsbudget?

Het doel is om een (gedeelte) van het gebruik van uw bedrijfswagen, meer bepaald het privégebruik en het woon-werkverkeer, om te zetten in een mobiliteitsbudget. Op die manier wordt de werknemer aangemoedigd om voor alternatieve transportmiddelen te kiezen.

^ Terug naar boven ^

2. Wie komt in aanmerking voor het mobiliteitsbudget?

Twee voorwaarden:

  • De werknemer moet in de voorbije 36 maanden minstens 12 maanden over een bedrijfswagen beschikt hebben of in aanmerking gekomen zijn voor een bedrijfswagen

EN

  • op het moment van de aanvraag moet hij minstens 3 maanden ononderbroken beschikken over of in aanmerking komen voor een bedrijfswagen.

Beide voorwaarden voor de werknemer, zowel de twaalf als de drie maanden, zijn in principe ook van toepassing op een beginnende onderneming. Deze regel moet gezien worden als een maatregel om misbruik tegen te gaan. Snel een nieuwe onderneming oprichten en er de werknemers in onderbrengen om zo de 36 maanden regel te omzeilen, kan zo principieel geen recht geven op een mobiliteitsbudget.

Daartegenover staat dat deze dubbele voorwaarde niet van toepassing is op een werknemer die pas in dienst werd genomen. Deze voorwaarden gelden evenmin voor een werknemer die promotie heeft gekregen of die van functie is gewijzigd, nog voor deze wetgeving in werking is getreden. Als de promotie of de functiewijziging na de inwerkingtreding van de wet heeft plaatsgevonden, moet de werknemer wel aan beide voorwaarden voldoen.

Het mobiliteitsbudget kan enkel toegekend worden aan werknemers die nu al over een bedrijfswagen beschikken of voor werknemers die voor een bedrijfswagen in aanmerking komen. Dat zijn werknemers die deel uitmaken van een functiecategorie waarvoor de bedrijfswagenpolicy van de onderneming een bedrijfswagen voorziet.

Wanneer het bedrijfswagenbeleid niet voorziet in een bedrijfswagen op basis van de ‘functiecategorie’ maar op basis van andere criteria (bv. anciënniteit), gaat het om individueel toegekende bedrijfswagens en geeft een bepaalde functie op zich geen recht op een bedrijfswagen en dus ook niet op een mobiliteitsbudget.

^ Terug naar boven ^

3. Wie beslist om een mobiliteitsbudget in te voeren in de onderneming?

Eén van de basisprincipes van de wet is dat de mogelijkheid tot het toekennen van een mobiliteitsbudget volledig afhangt van de wil van beide partijen.

Maar het initiatief tot het toekennen van een mobiliteitsbudget ligt uitsluitend bij de werkgever. Het staat de werkgever ook vrij om het in te voeren voor de hele onderneming, voor een bepaalde afdeling of voor een bepaalde categorie van werknemers.

Indien de werkgever beslist om voorwaarden op te leggen bij het toekennen van een mobiliteitsbudget, dan moet hij het personeel hiervan op de hoogte brengen nog voor het mobiliteitsbudget in het bedrijf wordt ingevoerd.

^ Terug naar boven ^

4. Waaruit bestaat het mobiliteitsbudget?

Het mobiliteitsbudget is gebaseerd op drie pijlers, waarbij de werknemer zelf de pijler of pijlers van zijn keuze kan invullen:

Pijler 1: een milieuvriendelijke bedrijfswagen

en/of

Pijler 2: het gebruik van alternatieve en duurzame transportmiddelen, met inbegrip van sommige huisvestingskosten.

en/of

Pijler 3: het saldo van het budget dat in contanten wordt uitbetaald.

^ Terug naar boven ^

5. Wat is een ‘milieuvriendelijke bedrijfswagen’ (pijler 1)?

Bij herlaadbare hybride wagens, wordt dit begrip opgenomen in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting: de elektrische batterij kan slechts een energiecapaciteit hebben van 0,5 kWh (0,45 in werkelijkheid, rekening houdend met afrondingen) per 100 kg gewicht van de wagen.

Als aan deze voorwaarden voldaan is, zal pijler 1 onder precies hetzelfde fiscale en sociale regime vallen als een bedrijfswagen. De werkgever zal dus een solidariteitsbijdrage moeten betalen. Bij privégebruik zal de werknemer een VAA moeten betalen.

Nog een laatste belangrijke opmerking: werknemers die in het systeem van het mobiliteitsbudget willen stappen, zijn niet verplicht om een milieuvriendelijke wagen te nemen. Zij kunnen beslissen om voor pijler 2 of voor pijlers 2 en 3 te kiezen.

^ Terug naar boven ^

6. Hoe wordt de kost van een milieuvriendelijke bedrijfswagen bepaald en berekend in het mobiliteitsbudget?

De kost van een milieuvriendelijke bedrijfswagen wordt bepaald door optelling van alle kosten voor de financiering van de wagen en de daaraan verbonden kosten die courant in rekening worden gebracht voor bedrijfswagens, zoals brandstofkosten en de verschuldigde solidariteitsbijdrage.

Voor een elektrische auto kunnen dit de elektriciteitskosten en de kosten voor de installatie van een oplaadpunt omvatten.

Wanneer de werkgever eigenaar is van de bedrijfsauto, worden de financieringskosten vervangen door een jaarlijkse afschrijving van 20%. Bij deze berekening moet rekening worden gehouden met de werkelijke kosten van de bedrijfsauto voor de werkgever, inclusief in rekening gebrachte opties en accessoires, toegekende kortingen, en alle kosten van brandstof, verzekering, CO2-solidariteitsbijdrage, niet-aftrekbare BTW, vennootschapsbelasting op niet-aftrekbare autokosten, enz. Zodra dit bedrag is vastgesteld, zal het op jaarbasis gebruikt worden in de berekening van het mobiliteitsbudget. De afschrijvingstermijn van een milieuvriendelijke auto is in dit verband niet relevant.

Indien op het ogenblik van de toekenning van het mobiliteitsbudget niet alle kosten bekend zijn (bijvoorbeeld brandstofkosten), kan de werkgever het in de pijlers 2 en/of 3 te gebruiken budget naar best vermogen op basis van een eigen raming vaststellen. Zodra de werkelijke kosten bekend zijn, moeten zij ten laste van het mobiliteitsbudget worden gebracht.

De werkelijke kosten moeten zo spoedig mogelijk in rekening worden gebracht, binnen de grenzen van wat in de praktijk mogelijk is. De werknemer moet immers te allen tijde toegang hebben tot informatie over zijn mobiliteitsbudget, met inbegrip van het beschikbare saldo.

^ Terug naar boven ^

7. In 2021 hebben bedrijven nog de keuze tussen NEDC- of WLTP CO2-waarden. Wanneer deze omstandigheden veranderen, zal dan ook de fiscale behandeling van de milieuvriendelijke auto’s veranderen?

Bij de beoordeling van de normen waaraan de milieuvriendelijke auto moet voldoen, wordt rekening gehouden met de datum van de ondertekende aankooporder of het leasecontract.

Als de normen na deze datum worden gewijzigd, heeft dat geen gevolgen voor de behandeling van de auto die in het kader van het mobiliteitsbudget is gekocht of geleased.

^ Terug naar boven ^

8. Wat wordt er onder pijler 2 verstaan?

Pijler 2 groepeert het geheel aan zachte mobiliteitsvormen zoals openbaar vervoer, gemeenschappelijk vervoer, gedeeld vervoer en huisvesting.

De werknemer is fiscaal volledig vrijgesteld van de tussenkomsten voor pijler 2 en deze tussenkomsten zijn volledig aftrekbaar voor de werkgever.

Zachte mobiliteit: voertuigen met een maximumsnelheid van 45 km/u (alle types fietsen, elektrische fietsen, speed pedelecs, bromfietsen, steps, monowheels, enz.). Motorfietsen die sneller kunnen gaan dan 45 km/u komen ook in aanmerking, op voorwaarde dat ze uitsluitend elektrisch worden aangedreven.

Openbaar vervoer (inclusief de waterbus): hiervoor komen abonnementen, tickets en vervoerbewijzen in aanmerking.

Voor abonnementen is voorzien dat deze betrekking moeten hebben op het woon-werkverkeer en dat ze persoonsgebonden moeten zijn. Een abonnement op naam van de kinderen van de werknemer om naar school te gaan, valt hier m.a.w. niet onder, omdat het de ouders niet aanzet om de bedrijfswagen te laten staan.

Individuele tickets mogen wel gekocht worden met het mobiliteitsbudget: op die manier hoeven de werknemers de bedrijfswagen niet te nemen voor familie-uitstappen tijdens het weekend. Dankzij het mobiliteitsbudget kan dit perfect met het openbaar vervoer. De biljetten mogen overigens ook in het buitenland worden aangekocht.

^ Terug naar boven ^

9. Mag het saldo in cash worden uitbetaald (pijler 3)?

Het budget dat eventueel overblijft na besteding aan pijler 1 en/of 2 kan in cash worden uitbetaald. Aangezien de werknemer de vrije keuze heeft, kan hij er in theorie voor kiezen om zijn mobiliteitsbudget integraal te laten uitbetalen en geen gebruik te maken van de eerste twee pijlers.

Om dergelijke praktijken te ontmoedigen, haalt de wetgever het grove geschut boven: deze derde pijler is namelijk onderhevig aan een specifieke sociale bijdrage van 38,07%, te betalen door de werknemer. Dit percentage is de som van de sociale bijdragen op het gewone salaris, die zowel door de werkgever (25%) als door de werknemer (13,07%) worden betaald.

Dit bedrag wordt beschouwd als inkomen. Met deze derde pijler wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het jaarlijkse vakantiegeld, maar wel – bijvoorbeeld – voor de berekening van het pensioen.

^ Terug naar boven ^

10. Wat zijn de voorwaarden voor de werkgever om een mobiliteitsbudget in te voeren?

Als de werkgever een systeem van mobiliteitsbudget wenst in te voeren, moet hij reeds gedurende 36 onafgebroken maanden, voorafgaande aan de invoering, bedrijfswagens ter beschikking hebben gesteld van één of meerdere werknemers.

De wachtperiode van drie jaar werd ingevoerd om te voorkomen dat het systeem zou misbruikt worden.

Een tastbaar bewijs kan onder meer geleverd worden op basis van de Dmfa-aangifte van de werkgever.

Ondernemingen die bij de inwerkingtreding van de wet nog geen bedrijfswagens ter beschikking stelden van hun werknemers, zullen met andere woorden geen mobiliteitsbudget kunnen invoeren alvorens ze één of meerdere werknemers een bedrijfswagen hebben geven.

Jonge bedrijven die nog geen 36 maanden actief zijn, maar wel bedrijfswagens toekennen aan één of meerdere werknemers, worden niet uitgesloten van de mogelijkheid om het mobiliteitsbudget in te voeren. Dit betekent dat werknemers van een startende onderneming ook kunnen bijdragen aan een duurzame mobiliteit.

^ Terug naar boven ^

11. Kan een startende werkgever ervoor kiezen om enkel het mobiliteitsbudget in te voeren in zijn onderneming, zonder bedrijfswagens ter beschikking te stellen?

Neen. Een startende werkgever die minder dan 36 maanden actief is, moet op het ogenblik van het invoeren van het mobiliteitsbudget één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking stellen van één of meerdere werknemers.

De vereiste van terbeschikkingstelling van bedrijfswagens door de werkgever wordt enkel en alleen getoetst op het ogenblik van de invoering van het mobiliteitsbudget in zijn onderneming. Daarna is de werkgever niet langer verplicht om één of meerdere bedrijfswagens ter beschikking te stellen van één of meerdere werknemers.

Wanneer wordt de activiteit van de werkgever beschouwd als gestart?

De werkgever is een rechtspersoon

Zijn activiteit wordt beschouwd als gestart op datum van de neerlegging van de oprichtingsakte bij de griffie van de ondernemingsrechtbank of van een gelijkaardige registratieformaliteit in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

De werkgever is een natuurlijk persoon

Zijn activiteit wordt beschouwd als gestart op datum van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

In geval van overdracht van een activiteit

Wanneer de werkgever een vennootschap is waarvan de activiteit bestaat uit de voortzetting van een werkzaamheid die voorheen werd uitgeoefend door een natuurlijk persoon of een andere rechtspersoon, wordt hij beschouwd als gestart respectievelijk:

  • op het ogenblik van de eerste inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen door die natuurlijk persoon; of
  • op het ogenblik van de neerlegging van de oprichtingsakte van die andere rechtspersoon bij de griffie van de ondernemingsrechtbank of van het vervullen van een gelijkaardige registratieformaliteit in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

^ Terug naar boven ^

12. Mag een werknemer vragen om in aanmerking te komen voor een mobiliteitsbudget?

De aanvraag kan pas ingediend worden als de werkgever het systeem heeft ingevoerd in de onderneming.

De aanvraag moet schriftelijk gebeuren per brief of per e-mail. De werkgever kan de werknemers niet verplichten om in te gaan op het mobiliteitsbudget.

De aanvraag door de werknemer en de positieve beslissing van de werkgever, maken samen deel uit van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent o.a. dat geen van beide partijen de inhoud ervan eenzijdig kan wijzigen en dat het document geen bepalingen kan bevatten die de rechten van de werknemer kunnen inkorten of zijn verplichtingen kunnen verzwaren.

^ Terug naar boven ^

13. Is de werkgever verplicht om in te gaan op de vraag van de werknemer?

Na het indienen van de aanvraag, is het aan de werkgever om te beslissen of hij al dan niet ingaat op deze vraag.

Net zoals de werknemer niet kan verplicht worden om te opteren voor een mobiliteitsbudget, kan de werkgever niet verplicht worden om in te gaan op de vraag van de werknemer. De aanvraag is dus niet bindend voor de werkgever en creëert ook geen rechten voor de werknemer.

De beslissing van de werkgever wordt schriftelijk overgemaakt aan de werknemer.

^ Terug naar boven ^

14. Hoe kan het mobiliteitsbudget worden ingevoerd in het bedrijf?

De invoering van het mobiliteitsbudget in het verloningssysteem van de werkgever kan op dezelfde manier gebeuren als de manier waarop de bedrijfswagen werd geïntroduceerd in de onderneming. Hierbij kan het gaan over een collectieve dan wel een individuele arbeidsovereenkomst, maar ook via een ‘policy’ die de kenmerken vertoont van een individuele arbeidsovereenkomst. Indien nodig kan het zelfs via een eenvoudig gebruik worden ingevoerd.

^ Terug naar boven ^

15. Hoeveel bedraagt het mobiliteitsbudget?

Het mobiliteitsbudget komt overeen met de totale bruto kostprijs (TCO) van de werkgever voor de financiering en het gebruik van een bedrijfswagen na aftrek van de eigen bijdrage van de werknemer.

Het betreft onder meer de maandelijkse leaseprijs of huur (of de afschrijvingen indien het voertuig eigendom is van de werkgever), de brandstofkosten, eventuele verzekeringen, de solidariteitsbijdrage en alle uitgaven die betrekking hebben op een bedrijfswagen, waaronder de niet aftrekbare btw, enz.

^ Terug naar boven ^

16. Is het mobiliteitsbudget vergelijkbaar met een salaris?

Het toekennen van een mobiliteitsbudget kan niet vergeleken worden met het uitbetalen van een salaris.

Het is voorzien dat het mobiliteitsbudget mee evolueert met de functie van de werknemer. Een werknemer die promotie krijgt en op die manier in aanmerking komt voor een functie met een hoger mobiliteitsbudget, zal dus ook aanspraak kunnen maken op een hoger mobiliteitsbudget, en omgekeerd. Hetzelfde geldt voor een functiewijziging die recht geeft op een hoger mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is gebonden aan de functie van de werknemer. Van zodra een werknemer een functie uitoefent waarvoor hij geen recht heeft op een bedrijfswagen, zal hij ook niet meer in aanmerking komen voor een mobiliteitsbudget.

Het mobiliteitsbudget is niet onderworpen aan de index. Het kan wel onderworpen worden aan een andere vorm van aanpassing op voorwaarde dat dit zo overeengekomen werd door beide partijen. Deze aanpassing mag evenwel nooit hoger zijn dan wanneer het mobiliteitsbudget volgens de loonindex geïndexeerd had geweest.

^ Terug naar boven ^

17. Kan het mobiliteitsbudget gecombineerd worden met de vrijstellingen voor verplaatsingen?

Het mobiliteitsbudget kan in principe niet gecombineerd worden met de fiscale vrijstellingen voor woon-werkvergoedingen, noch met de vrijstelling van de fietsvergoeding en/of de ter beschikkingsstelling door de werkgever van een bedrijfsfiets voor woon-werkverplaatsingen.

De combinatie van een mobiliteitsbudget en een verplaatsingsvergoeding of een fietsvergoeding wordt wel toegelaten indien de werknemer voorheen beschikte over een bedrijfswagen en tegelijkertijd een verplaatsingsvergoeding of een fietsvergoeding ontving. Op die manier wordt er geen afbreuk gedaan aan geldende afspraken.

^ Terug naar boven ^

Het bericht Mobiliteitsbudget: meer dan 145 modellen en 750 versies komen -momenteel – in aanmerking voor pijler 1… verscheen eerst op FLEET.be.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *